Helikopterkat. Over het shock-effect, de discussie en de hypocrisie.

Sharing is caring!

Stel, je kat is doodgereden door een auto. Wat doe je er dan mee? Kunstenaar Bart Jansen besloot het beest een tweede leven te geven als helikopter. En dat leidde uiteraard tot heftige reacties.

 

Orvillecopter

Toen zijn kat Orville was doodgereden heeft Jansen naar eigen zeggen ‘twee dagen gerouwd’, waarna hij besloot zijn dode kat te veranderen in een kunstproject. Voor hem een logische stap, omdat hij eerder al aangereden dieren had gebruikt in zijn werk. Als snel werd zijn project opgepikt door de media en ontstond er controversie alom. Mensen vonden het walgelijk. De Partij van de Dieren vond dat het aanzette tot dierenleed. Voor de duidelijkheid: de kat was al dood voordat Jansen besloot er een helikopter van te maken. Toch ontstaat er een discussie, en wordt er zelfs op de muur van de KunstRAI geklad “Dood aan de dierendoders.” Maar wie heeft er gelijk? De kunstenaar, of de mensen die vinden dat de Orvillecopter een gebrek aan ethiek vertoont?

Laat ik beginnen met een stukje geschiedenis. Het was niet de eerste keer dat er dode beesten werden gebruikt in de kunst. Iedereen kent de haai van Damien Hirst, en Tinkebell die haar eigen kat doodde om er een tas van te maken ligt nog vers in het geheugen. Al in de jaren 60 legde Joseph Beuys schilderijen uit aan een dode haas en goot Hermann Nitsch bloed en organen van dieren over deelnemers aan zijn Orgien Mysterien Theater. In 1929 maakten Dalí en Buñuel de film ‘Un Chien Andalou“, waarin een koeienoog wordt doorgesneden. Het is overbodig te zeggen dat al dit werk met veel kritiek werd ontvangen.

Maar wat maakt nu dat een opgezette kat als kunstwerk zoveel meer controverse oproept dan een willekeurig opgezet beest, een leren tas of zelfs gewoon een kipfiletje uit de supermarkt? Ten eerste is een kat een huisdier. Een dier dat mensen tot gezelschap dient. Een dier dat wij liefhebben, en waarvan we uitgaan dat het ook ons liefheeft. Zo’n dier willen wij uiteraard liever niet dood zien.

Ten tweede zijn wij gedistantieerd geraakt van het doden van dieren, iets wat ooit heel gewoon was toen we nog jagers-verzamelaars waren. Als we in de supermarkt een kipfiletje kopen lijkt dat in niets meer op de kip die het ooit was. Maar wanneer ons voedsel nog duidelijke dierlijke kenmerken bezit, zoals ogen of een bek, durven we het niet meer op te eten. Ook dit komt doordat velen van ons dieren lief en aaibaar vinden. Zolang ons eten niet herkenbaar is als iets wat ooit aarbaar was en nu dus pijn heeft geleden voor onze consumptie, zolang we dát niet zien, is vlees gewoon een industrieel vervaardigd product.

Bart Jansen, en Tinkebell, en Hirst willen ons dus iets duidelijk maken. Duidelijk maken hoe wij met dieren om gaan. Duidelijk maken dat de dood bij het leven hoort. Maar slagen ze daarin? In ieder geval roepen deze shock-kunstenaars heftige discussies op waarin veel mensen reageren op een primaire manier. Emotionele reacties voeren de boventoon van de controverses die ontstaan. En dat is ook hun bedoeling.

Of het oproepen van een dergelijke discussie helpt om de achterliggende visie over te brengen, dat weet ik niet. Mijns inziens kan het shockeereffect mensen juist tegen de borst stuiten, waardoor het averechts werkt. Ik ben dan ook geen shock-kunstenaar, maar eerder iemand die een dialoog aangaat. In een dialoog heeft niemand gelijk. In een dialoog luistert men naar het standpunt van de ander. En eigenlijk gaan deze kunstenaars ook een dialoog aan, zij het op een wat andere, meer schreeuwerige, manier. Toch sta ik achter de uitgangspunten van deze kunstenaars. En bovenal vind ik dat zij verdienen dat mensen de tijd nemen om na te denken over de betekenis en boodschap van hun werk. Alleen dan kan er een correcte discussie ontstaan.


2 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *